De provincie is haar bevoegdheid tot (het onthouden van) goedkeuring van een bestemmingplan definitief verloren, maar haar invloed op de gemeentelijke bestemmingsplanprocedure nog niet
De Wro verleent de provincie niet langer de bevoegdheid om haar goedkeuring aan een bestemmingsplan te geven dan wel te onthouden. Heeft de provincie deze bevoegdheid echter nog wel indien het bestemmingsplan een partiële herziening is van een bestemmingsplan waaraan de provincie, conform haar bevoegdheid op grond van de WRO (oud), haar goedkeuring had onthouden? En kan een gemeente nu de provincie niet langer haar goedkeuring verleent helemaal zonder provinciale invloed bestemmingsplannen vaststellen?
Geen bevoegdheid tot goedkeuring van bestemmingsplan voor provincie
In haar uitspraak van 18 januari 2012 (LJN: BV1211) legt de Afdeling de verhouding tussen het college van gedeputeerde staten van de provincie (hierna: ‘provincie’) en de raad van de gemeente (hierna: ‘gemeente’) onder de nieuwe Wro nog eens goed uit. Onder de WRO (oud) bezat de provincie op grond van artikel 28 WRO de bevoegdheid om haar goedkeuring aan een bestemmingsplan van de gemeente te verlenen dan wel (gedeeltelijk) te onthouden. In de onderhavige casus heeft de provincie Noord-Holland gebruik gemaakt van deze bevoegdheid door haar goedkeuring te onthouden aan een deel van het door de gemeente Andijk op 4 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan ‘Woongebied Andijk’.
Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de gemeente Andijk het bestemmingsplan ‘Woongebied Andijk 1e partiële herziening’ vastgesteld. Appellant voert aan dat voor dit bestemmingsplan goedkeuring van de provincie vereist is omdat deze eerder werd onthouden.
De Afdeling overweegt dat op 1 juli 2008 de WRO is ingetrokken en de Wro in werking is getreden. Het (nieuwe) ontwerpplan is na 1 juli 2008 ter inzage gelegd zodat hierop de Wro van toepassing is. Anders dan appellant betoogt, brengt de onthouding van de goedkeuring niet met zich dat hierdoor de WRO van toepassing blijft. Na de onthouding van goedkeuring vangt een nieuwe procedure tot vaststellen van het bestemmingsplan aan. De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet houden met een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO tot stand gekomen plan.
Gemeente moet wel overleg voeren met de provincie
Betekent het verdwijnen van de bevoegdheid tot (onthouden van) goedkeuring dan het einde van de provinciale invloed? Nee. De provincie heeft nog haar aanwijzingsbevoegdheid op grond van artikel 4.2 Wro en moet blijkens deze uitspraak door een gemeente voldoende geïnformeerd worden om deze bevoegdheid te kunnen gebruiken.
De Afdeling overweegt dat gelet op artikel 3.1.1 lid 1 Bro de gemeente in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht is om overleg te voeren met de diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Slechts bij hoge uitzondering hoeft dit overleg niet plaats te vinden, namelijk indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang. In deze zaak heeft het overleg niet plaatsgevonden en acht de Afdeling de uitzondering niet van toepassing, hetgeen volgens de Afdeling des te meer klemt nu de provincie haar goedkeuring aan een eerder bestemmingsplan had onthouden.
De gemeente verzoekt om het gebrek te laten herstellen door toepassing van de bestuurlijke lus. De Afdeling overweegt dat zij hiertoe geen aanleiding ziet aangezien de gemeente niet alleen heeft nagelaten om overleg te voeren, maar ook heeft nagelaten om conform artikel 3.8 lid 4 Wro het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onverwijld aan de provincie toe te zenden. De provincie is daarmee de mogelijkheid ontnomen om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 Wro te geven.
Conclusie
De Afdeling heeft in haar uitspraak bevestigd dat gemeenten sinds 1 juli 2008 ‘verlost’ zijn van de een goedkeuringsbevoegdheid van de provincie. Ook een bestemmingsplan onder de Wro met een partiële herziening voor het plandeel waaraan de provincie onder de WRO (oud) nog haar goedkeuring onthield, behoeft geen goedkeuring meer van de provincie. Hiermee is de provincie echter niet al haar invloed verloren. De gemeente moet in het kader van de bestemmingsplanprocedure overleg voeren met provinciale diensten en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onverwijld aan de provincie toesturen. Dit geeft de provincie de mogelijkheid om de gemeente een aanwijzing als bedoeld te in artikel 4.2 Wro te geven. De goedkeuringsbevoegdheid van de provincie is dus verdwenen, haar invloed op bestemmingsplanprocedures echter nog niet.
Gerelateerde artikelen:







